Brabanders zeggen ‘koekske’, ‘bankske’ en ‘houdoe’. Maar zeg je ‘kuukske’, ‘bènkske’ en ‘houdoe, hè’? Dat is dan weer typisch voor de regio Eindhoven. En zo schudt Kristel Doreleijers (32) moeiteloos nog tal van andere taal- en dialectweetjes uit haar mouw. Deze Eindhovense taalkundige is met recht een kenner te noemen. Als taalwetenschapper aan het Meertens Instituut in Amsterdam onderzoekt ze dialect én trends in jongerentaal. Haar missie: mensen met een open blik naar taal laten kijken.

Door Marjolein van Hoof

Het thema van de Boekenweek dit jaar is ‘Mijn generatie’. Toeval of niet: het sluit naadloos aan bij het werk van Kristel Doreleijers. “Taal beweegt mee met generaties”, zegt ze. “Elke generatie heeft eigen woorden waarmee je kunt laten horen dat je erbij hoort. Waar het nu ‘slay’ of ‘six-seven’ is, was het vroeger ‘mieters’. Ik ben zelf een Millennial, dus in mijn tijd had iedereen het over ‘boeiuh’ en ‘cool’ of ‘gaaf’. Nu zegt de jongste generatie ‘skibidi’ of ‘clock it'. Jongeren zijn creatief met taal en dat is van alle tijden. Vooral vanaf de jaren vijftig zie je dat ze zich via taal onderscheiden.”

Verbonden

Zelf groeide Kristel op in de Eindhovense wijk Gijzenrooi. “Mijn vader komt uit Stratum en heeft wel een beetje die tongval. Mijn moeder is Zeeuws en totaal niet met het Brabants opgegroeid. Ik ben ook niet echt met dialect opgevoed. Ik noem het eerder: regionaal gekleurd Nederlands.”

Die achtergrond maakte haar nieuwsgierig. “Ik voelde me wel verbonden met Eindhoven en de taal hier. En ik vond schrijven altijd ontzettend leuk.”

Ze koos dan ook voor de studie Nederlands aan de Universiteit Utrecht. “Ik dacht dat ik vooral beter zou leren schrijven en nog beter zou worden in grammatica en spelling. Maar toen ontdekte ik de taalwetenschap. Dat was echt een eyeopener. Er zijn zoveel manieren om naar taal te kijken.”

Een specifiek college herinnert ze zich nog goed. “De docent zei: wat je op de middelbare school hebt geleerd over zinsontleding, dat gaan we hier loslaten. Dat is achterhaald. We kijken er anders naar. Toen dacht ik: er zijn dus meerdere perspectieven op taal.”

Topsportmentaliteit

Voor ze zich volledig op taal richtte, stond haar leven in het teken van sport. Op het Sint Joriscollege volgde Kristel het LOOT-programma voor topsporters. Ze zwom bij PSV en combineerde het gymnasium met intensieve trainingen. “Elke dag om vijf uur ging de wekker. Eerst trainen, dan naar school, daarna weer trainen. Het was druk, maar ook ontzettend leuk.”

Na haar eindexamen nam ze twee tussenjaren om zich volledig op het zwemmen te richten. En met succes, want op haar negentiende werd ze Nederlands kampioen op de 200 meter schoolslag.

Een hardnekkige blessure zorgde voor een kantelpunt. Kristel ging zich volledig richten op haar studie Nederlands, met diezelfde sterke drive om het beste uit zichzelf te halen. Ze rondde haar studie cum laude af en behaalde daarna nog twee masterdiploma’s, eveneens cum laude.

Die mentaliteit bracht haar tot een promotie aan Tilburg University in juni 2024. Ze onderzocht het ‘nieuwe’ Brabants: de manier waarop jongeren vandaag de dag met dialect omgaan. Inmiddels werkt ze als postdoctoraal onderzoeker met een VENI-beurs van NWO. “Dan mag je zelf een onderzoeksproject opzetten. Mijn project gaat over taaltrends onder jongeren.”

Verdwijnt het Brabants?

Veel oudere Brabanders maken zich zorgen dat het dialect verdwijnt. “Ik snap die zorgen heel goed”, zegt Kristel. “Sinds de jaren zestig is er een daling in traditioneel dialectgebruik. Door de sterke nadruk op het ABN - wat we nu Standaardnederlands noemen - kozen veel ouders ervoor hun kinderen geen dialect meer mee te geven.”

Maar volgens haar is het beeld niet zo zwart-wit. “Het is niet zo dat iedereen hier Randstad-Nederlands gaat praten en dat de zachte G verdwijnt. Wat je ziet, is een tussenvorm. Tussen standaardtaal en lokaal dialect. Dat noem ik het nieuwe Brabants. Met nog een paar elementen uit het oudere dialect die soms ook een beetje worden aangedikt. Dat heet hyperdialect, en daar ben ik op gepromoveerd. Het klinkt dialectachtig, maar het is eigenlijk overdreven. Jongeren zijn daar wel trots op.”

De populariteit van New Kids en series als Undercover droeg volgens Kristel bij aan die herwaardering.

Kei creatief

Jongerentaal beperkt zich niet tot dialect. Jongeren draaien woorden om: ‘deim’ in plaats van ‘meid’. Ze gebruiken geheime codes, zoals Ish-taal uit de jaren negentig. “Dan plak je voor elke klinker ‘ish’. Hallo wordt ‘h-isha-ll-isho’. Dat laat zien hoe creatief jongeren met taal zijn.”

Zelfs grammatica verandert. “Je hoort zinnen als: ‘Hij denkt hij is leuk’. Volgens de traditionele grammatica kan dat niet, maar in jongerentaal gebeurt het wel.”

Komt dat door Engels? “Dat wordt vaak gedacht, maar zo simpel is het niet. Het is wel zo dat mensen met andere taalachtergronden invloeden meenemen naar het Nederlands. Je ziet vergelijkbare ontwikkelingen in Duitse en Franse jongerentalen. Taalverandering is universeel.”

Superboeiend

Wat ze vooral wil benadrukken: “Alles wat geen Standaardnederlands is, is niet automatisch slecht. Het is een andere variëteit. En daar kun je je juist over verwonderen.”

Eindhoven noemt ze een ‘superboeiende regio’. “In Brainport is een enorme mix van talen. De discussie gaat vaak over: moeten we nu kiezen voor Nederlands of voor Engels? Maar dat is te simpel. Alle nieuwkomers nemen talen met zich mee. Daarnaast hebben we gewoon ons eigen dialect. Samen zorgt dat voor een mooie mengelmoes.”

Gij

Wat is de functie van dialect? “Je kunt er je eigen sociale en lokale identiteit aan ontlenen. Je kunt laten horen: ik kom uit Brabant. Dat zit ’m in woorden als ‘kei’, ‘koekwaus’, ‘bekant’ en ‘bende’ in plaats van ‘ben je’. En natuurlijk het iconische ‘gij’, dat je voor iedereen kunt gebruiken. Je kunt ‘gij’ zeggen tegen je beste vriend, de buurman, maar ook tegen de burgemeester. Het schept een band.”

En niet te vergeten: Houdoe, hè. “Ja”, lacht ze. “Dat zeg ik zelf altijd, ook tegen mijn collega’s in Amsterdam als ik naar huis ga.”

Superbrabants boek

Naast haar wetenschappelijke publicaties wil Kristel haar onderzoek toegankelijk maken voor een groter publiek. Dat leidde tot het boek ‘Superbrabants - Over jongerentaal, New Kids en je thuis voelen in je dialect’, dat in mei verschijnt bij Ambo Anthos.

Daarin beschrijft ze onder meer hoe in tijden van dialectverlies juist een tegenbeweging ontstaat. “Jongeren omarmen weer het Brabants, maar op hun eigen manier. Dat wekt soms ergernis op bij oudere dialectsprekers, die zeggen: dat is nep of fout.”

Haar boodschap is mild maar duidelijk. “Ik begrijp de emotie. Taal raakt aan identiteit. Maar als je die ontwikkeling bij jongeren niet omarmt, help je het dialect juist de afgrond in. Taal beweegt mee met de tijd. Dat is geen verloedering, het is iets om je over te verwonderen. Het is echt heel interessant om daarin te duiken.”

Taal leeft!

Ze ziet haar werk als een brug tussen generaties. “Mijn missie is om taal hipper te maken. Jongeren én ouderen te laten zien dat taal niet alleen over goed of fout gaat, maar over identiteit, creativiteit en verbondenheid.”

Eindhoven, zegt ze, is eigenzinnig genoeg om zijn identiteit te behouden. “Met die zachte G, dat gezellige, maar ook dat wereldse van Brainport. Juist die mix maakt het sterk.”

Ze glimlacht. “Dat het verandert, betekent niet dat het verdwijnt. Het betekent dat het leeft.”