De Aalsterweg is de plek waar het leven van Nel de Turck zich al decennialang afspeelt. Als kind groeide ze op bij Café Casino, de kroeg van haar ouders. Later nam ze de zaak zelf over en werd ze het vertrouwde gezicht achter de bar. Generaties Eindhovenaren kwamen er over de vloer, en hoewel het inmiddels al ruim 20 jaar geleden is dat ze afscheid nam van deze mooie bruine kroeg, weten veel mensen haar nog altijd te vinden. Nog steeds woont ze naast het café. “Ik heb hier goeien aard”, zegt ze. “Hier op de Aalsterweg.”
Door Marjolein van Hoof
Inmiddels is Nel 79 en haar man Jan de Jonge vierde onlangs zijn 90ste verjaardag. Dat feestje was, hoe kan het ook anders, bij de buren: Café Casino. “Ik ben blij dat het er nog is, dat zeg ik eerlijk. Steeds meer buurtkroegen verdwijnen, maar er is wel behoefte aan. Vroeger lag bij elke kerk een café. Daar gingen mensen na de mis heen om er lief en leed te delen. Waar kun je dat tegenwoordig nog doen? Over de buurtkroeg werd altijd min gedaan, maar het heeft wel degelijk een functie, en niet zo’n kleintje ook.”
Een echte Stratumse
Nel is een echte Stratumse. In 1946 geboren aan de Leenderweg, de straat waar haar oma van moederskant ook een kroeg had: “Op de hoek van de Biesterweg, waar nu Albert Heijn is.”
Met twee oudere broers is Nel de jongste van het gezin. In 1948 neemt haar vader Café Casino - dat al sinds 1908 bestaat - over van de familie Van Baalen en verhuizen ze naar de Aalsterweg: bij het café en de Genneper Parken. “Het was geweldig om hier op te groeien. We hadden allemaal onze eigen sloot en boomhut”, glimlacht Nel.
Kattenkwaad is nooit ver weg. “Mijn broers haalden geregeld streken uit en ik deed graag mee. ’s Avonds, als de andere kinderen op straat nog landje aan het veroveren waren, lagen wij al op bed want pa en ma moesten in het café werken. Dan klommen wij stiekem via de regenpijp naar beneden.” Ze grinnikt bij de herinnering.
“We moesten thuis wel altijd meehelpen, vooral boodschappen doen. Overal in Eindhoven, want die mensen kwamen ook bij ons in het café. Iedereen gunde elkaar iets. Mijn ouders wisten door de oorlog hoe belangrijk het is als je hulp krijgt van anderen. Mijn moeder zei altijd: Nooit vergeten, de mensen die jou geholpen hebben.”
Kostschool
Na de basisschool wordt Nel naar een kostschool gestuurd bij de nonnen in Oerle. “Mijn ouders hadden een druk bestaan en ik was ook wel een rebel: ik luisterde niet zo goed”, vertelt ze eerlijk. Vier jaar blijft ze er. Leuk en zwaar, omschrijft ze die tijd. “Ik ben een paar keer weggelopen. Je mist thuis en je vrijheid. Maar je maakt ook vriendschappen die heel diep zitten, dat besef je pas later.”
Op haar 16e keert ze terug naar Eindhoven. “Dat was moeilijk, je moet opnieuw je plek vinden. Veel vriendinnen van vroeger zaten op dansles. Gelukkig leerden ze mij ook wat pasjes zodat ik in het weekend mee kon dansen, bij Cintha aan de Biesterweg.”
Het avontuur lonkt en Nel vindt een baan in Amsterdam, op de controleafdeling van het Ziekenfondswezen, vlak bij het Museumplein. “Voor mij was alles nieuw. Op vrijdag gingen we eten bij de Chinees: dat gebeurde in Eindhoven nog niet. Of naar de discotheek, chic gekleed en cocktails drinken.”
Connectie
Na ruim twee jaar keert Nel terug naar Eindhoven en gaat werken bij het nieuwe epilepsiecentrum Kempenhaeghe in Heeze. “In de verzorging. Best zwaar werk, maar heel mooi. Omdat ik zelf op kostschool had gezeten en deze patiënten ook uit huis waren, voelde ik een connectie.”
Ook haar tussentijdse stage op de psychiatrische afdeling van het Sint Anna Ziekenhuis vergeet ze niet snel. “Alcoholverslaafden kregen implantaten waardoor ze ziek zouden worden van drank. Om te testen of het werkte, moesten we soms met hen meedrinken. Ik kan helemaal niet tegen bier: één glas en ik ben al dronken. Ik was dus eerder teut dan zij”, lacht ze.
In de jaren daarna leert ze Jan kennen, met wie ze in 1972 trouwt. “Jan was zelfstandig ijzervlechter. In die periode ging het economisch slecht, er kwamen weinig orders dus er moest wat gebeuren. Mijn vader vond het fijn als iemand de kroeg zou overnemen. Dat heb ik in 1974 gedaan. Ik weet nog die allereerste dag. Ik dacht alleen maar: wat moet ik in hemelsnaam tegen die klanten zeggen?”
Gezicht van het café
Dat is helemaal goed gekomen. Maar liefst 28 jaar was Nel hét gezicht van Café Casino. Die gezellige buurtkroeg in Stratum, waar mensen na hun werk nog even een borreltje pakten, “want dat waren ze gewend”. Waar jarenlang een spaarkas hing, zodat de klanten konden sparen voor de kermis. Waar naast de drank ook regelmatig een hapje rondging. “Dan nam een klant bijvoorbeeld sliptongetjes of mosselen mee. Alles deelden we hier.”
Waar vriendschappen ontstonden, die verder reikten dan de kroeg alleen. Lag er een klant in het ziekenhuis, dan kwam Nel op bezoek met een flesje jenever. En ging er iemand verhuizen, dan stond Jan klaar om te helpen.
Generaties
Zoals het een buurtkroeg betaamt, draaide Casino op vaste klanten en generaties die elkaar opvolgden. “Als opa en oma er kwamen, kwamen later de kinderen en kleinkinderen ook.”
De kroeg groeide mee met de buurt. “Zo kwamen er aan de overkant studentenhuizen, één daarvan was van de Tuna’s. Deze muzikanten kwamen veel bij ons, dat was heel gezellig.”
Ook biljarters wisten het buurtkroegje te vinden. “We hadden zelfs een damesbiljartclub. Én een zondagochtendbiljartclub: verschrikkelijk vond ik dat. Niet omdat ik vroeg open moest, maar ik kan niet tegen bier en zeker niet om 11 uur ’s ochtends. Zodra ik de tap opengooide, werd ik misselijk.”
Gezelligheid
Nel organiseerde van alles in het café: “Met hulp van anderen, hè. Anders ging het niet.” Het jaarlijkse songfestival voor klanten bijvoorbeeld. “De beste kreeg een lauwerkrans, gemaakt van een oude fietsband.” Carnaval werd steevast afgetrapt met een voetbalwedstrijd tussen FC Stoot en FC Gajus: “De mannen tegen de vrouwen.”
Op eerste pinksterdag was er de puzzeltocht op de fiets en met Sinterklaas een ouderwetse surpriseavond. Deelnemers aan het jaarlijkse baraktoernooi konden een halve haan of konijn winnen en dan waren er nog de avonden waarop ze samen Hints speelden: “Dan moest je iets tekenen of uitbeelden wat de ander moest raden. Oh, we hebben ooit zo gelachen!”
Stoppen
Mooie tijden, maar het was ook hard werken. Daarbij heeft Nel al jaren last van haar rug. “Dat begon al na mijn veertigste en nog heb ik altijd pijn. Op een gegeven moment ging het niet meer. Ik heb meer dan een jaar getwijfeld of ik zou stoppen. Daar heb ik ook wel om gejankt: wat moet ik doen? Maar mijn lijf kon niet meer.”
In 2002 nam Jan Peeters het café over, helaas overleed hij al in 2014. Sindsdien runt zijn zoon Joep Melis de buurtkroeg. “Dat doet hij goed. Ik ben blij dat het een lekker café is gebleven”, zegt Nel tevreden.
“Ik heb 28 jaar hard gewerkt, maar dat houd je alleen vol als je het leuk vindt. Er zijn zoveel mooie momenten geweest en zoveel vriendschappen ontstaan. Gelukkig hebben we nog altijd contact met klanten van toen. Dat vind ik heel fijn. En als ik de kroeg mis”, zegt ze met een glimlach, “dan loop ik gewoon even naar hiernaast.”
