Eindhoven groeide rond 1900 snel. De stad had ruimte nodig voor de uitbreidende industrie en de toenemende bevolking. Die ruimte kwam er uiteindelijk door de annexatie van de omliggende gemeenten, die op 1 januari 1920 hun zelfstandigheid verloren.

Eindhoven had al sinds 1232 stadsrechten en mocht zich, hoe klein ook, een stad noemen. Rond de eeuwwisseling telde Eindhoven zo’n 6.500 inwoners, die verspreid woonden over slechts 75 hectare. Met de groei van de industrie en de bevolking ontstond een grote behoefte aan uitbreiding van het grondgebied. Dat kon alleen ten koste gaan van de omliggende gemeenten.

Die gemeenten stonden niet zonder slag of stoot grondgebied af. Een annexatie betekende immers niet alleen het verlies van inwoners, maar ook van belastinginkomsten. Bovendien vreesden de gemeenten voor het verdwijnen van hun dorpse karakter. Veel inwoners werkten nog in de landbouw en waren gehecht aan het bestaande dorpsleven.

Toch werd in 1909 duidelijk dat een samengaan in een groter Eindhoven uiteindelijk onvermijdelijk was. Het duurde vervolgens nog ruim tien jaar voordat de annexatie daadwerkelijk een feit was. Op 1 januari 1920 verloren Gestel, Strijp, Woensel, Tongelre en Stratum hun zelfstandigheid. Voortaan gingen ze als stadsdelen verder binnen de gemeente Eindhoven.

Stratum wilde de herinnering aan zijn zelfstandige bestaan levend houden. Voor de Sint-Joriskerk werd daarom een monument opgericht, dat bekendstaat als het Annexatiemonument. Het bestaat uit een sokkel met vier gedenkplaten en smeedijzeren pijlers waaraan lampen hangen.

Dit is een bijdrage van Eindhoven in Beeld.