Als ik mijn ogen sluit, ruik ik het weer. Het was niet de frisse zeelucht, maar de indringende walm van vloeibaar geteerd dakleer op ons vakantieverblijf. Welkom in 1977 op camping De Prinsenhoeve in Renesse. Terwijl de rest van de wereld zich druk maakte over de Koude Oorlog, voerden wij een heel andere strijd: de strijd tegen de spontane zelfontbranding in onze ‘stacaravan’.
Laat ik eerlijk zijn: het was een houten keet met ambities. Het ding was niet van ons, maar van een vriend van mijn vader, maar dat mocht de blufpret op het schoolplein in Raamsdonksveer niet drukken. Daar stond ik dan, achteloos een steentje weg trappend tegenover vriendjes die die zomer in een ordinair tentje moesten slapen. ‘O, wij?’ zei ik dan met de minachting van een jonge miljonair, ‘wij hebben een stacaravan van zestien meter lang.’ Dat de helft van die zestien meter uit overdrijving bestond, vertelde ik er niet bij. Niemand kon het controleren. In mijn hoofd was ik de bezitter van een onroerend-goed-imperium aan de Zeeuwse kust. En mijn klasgenoten geloofden het.
De reis naar de vrijheid van Renesse begon traditiegetrouw op de Grevelingendam. We werden steevast gebracht want eigen vervoer hadden we niet. Dus zoveel grootspraak had ik eigenlijk niet hoeven hebben. Halverwege de rit naar de kust was dat de plek waar de benen gestrekt moesten worden, alsof we een expeditie naar de Zuidpool aan het volbrengen waren in plaats van een ritje naar Schouwen-Duiveland. Voor mijn vader het moment om een shaggie te rollen.
Eenmaal neergestreken op de camping, die door velen werd bezocht voor de 'rust en de natuur', zorgden mijn broers en ik ervoor dat die stilte vakkundig werd omgezet in Brabantse levendigheid. Het hart van ons kamp was niet de caravan, maar ons transistorradiootje. Als Theo Koomen zijn Tour-verslagen over ons kleine binnenveldje liet schallen, leek het alsof de hele koers dwars door onze stacaravan denderde. Theo schreeuwde, de radio kraakte, en wij hingen aan zijn lippen terwijl de zon het geteerde dak langzaam vloeibaar bakte. Ons ma smeerde zich wezenloos met zonnebrandcrème.
Mijn moeder zat voor de keet op haar vertrouwde campingstoel, de aardappels te schillen alsof haar leven ervan afhing. Maar de Zeeuwse lucht deed iets met onze magen; de aardappels hadden de tafel nog niet geraakt of ze waren al verdwenen in de bodemloze putten van de opgroeiende Marcelissens.
‘Ut laikt wel dè jullie noeg meer hoenger hebben dan thois,’ verzuchtte ze, terwijl ze de lege pan bekeek met een mengeling van trots en lichte wanhoop.
‘Dat doet de zeelucht’ zei mijn vader dan. Hij wist dat er tegen de honger van 'de wolven' niet op te schillen viel. Zonder een spoor van protest pakte hij zijn fiets en reed richting het dorp om een nieuwe zak aardappels te scoren. ‘Want morgen hebben ze ook weer honger,’ zei hij nuchter.
Het was de herhaling van het gewone leven, maar dan met de glans van de vakantie. De pannen werden groter, de verhalen sterker, en de liefde zat hem in die extra zak aardappels die mijn vader door het Zeeuwse landschap fietste.
Andy Marcelissen
