Ploeg-e wil met literatuur Eindhoven mooier maken. Dit collectief bestaat onder meer uit twee Stadsschrijvers en één Stadsdichter. Eens per maand krijgen zij ‘het woord’ in Groot Eindhoven. Dit keer Stadsschrijver Terence van Lange.
Schuilplaats met een schuimkraag
Maar wat in Eindhoven telt nog als echt bruin café?, schreeuwde ik door Café De Vredesduif, een echt bruin café, vol vaste gasten en meerdere kasteleins. Per direct veranderde het in een parlement zonder voorzitter. Namen werden geprezen en vervloekt. Het bekvechten nam een collectieve vorm aan, wat mij deed denken aan een Jheronimus Bosch-schilderij. Doet dat café trouwens wel vaker. Emoties speelden zo hoog op dat een van de senioren duizelig werd en even moest zitten. Wist ik veel dat die vraag zo gevaarlijk was.
Ik deed mijn best als voorzitter van de bekvechtpartij, en we kwamen uit op ongeveer tien cafés in Eindhoven. Dat terwijl er op de Tongelresestraat, waar we op dat moment zaten, ooit meer dan dertig hebben gezeten. De aanwezige kasteleins waren niet onder de indruk van de lijst. Er zijn namelijk strenge voorwaarden om een bruin café te zijn; een biljart, een oud houten interieur, een spaarkas, een nat café (geen maaltijden serveren), een rookgebruind plafond, een goede kastelein, en de lijst gaat maar door. Volgens die spelregels daalt het aantal van tien naar drie in onze stad.
Al jaren staan deze kroegen op de lijst van bedreigde horeca-soorten. Er is helaas geen Brownpeace die het voor ze opneemt. Dat breekt mijn houtbruine hart. Deze kroegen vormden ooit een hoeksteen voor onze gemeenschap. Er was het leven op werk, het leven thuis, en het heerlijke leven tussen die twee in. Want na werk drink je moed in om het volgende gekkenhuis te betreden. Een schuilplaats met een schuimkraag.
Dat is wat een goed kastelein ervan maakt.
Ze dragen de pet van uitsmijter, therapeut en maatschappelijk werker. Ze zijn de krant van de wijk, en zo het doorgeefluik van goed en slecht nieuws. Ze bestrijden eenzaamheid. Ze doen veel meer dan het blussen van dorst. Ze spelen in op de rol die nodig is en bieden zo een tweede huiskamer. Helden zonder cape, met een tap.
Ooit eerder heb ik afscheid moeten nemen van zo’n café op de Vrijstraat. Als gast was ik zo betrokken dat ik meeging met personeelsfeestjes en onbeperkt toegang binnen het café had. Mijn troon was een barkruk waarop mijn naam gegraveerd stond. Helaas sloot corona zowel longen als deuren. Mijn houtbruine hart heeft dit geregistreerd als liefdesverdriet. Mijn liefje tussen werk en thuis had mij dakloos achtergelaten. Zoals met ieder liefdesverdriet, ben ik er soort van overheen gekomen. Tevens heb ik wederom verkering op de Tongelresestraat. Maar het prikt nog steeds als ik langs de nieuwe locatie loop en mijn ex in haar nieuwe jasje met haar nieuwe liefdes op het terras zie.
Het aantal resterende bruine cafés is misschien discutabel, maar zeker heel laag. Hun waarde voor Eindhoven niet. Met soms meer dan honderd jaar op de teller zijn deze cafés bomen in onze maatschappij met hun wortels in onze geschiedenis, waar we nu nog onder kunnen schuilen. Het is de vraag of we nog kunnen redden wat leeft, voordat Eindhoven nog een stukje Eindhoven verliest. Waar in hemelsnaam vluchten we straks naartoe tussen werk en thuis?
