Ploeg-e wil met literatuur Eindhoven wat mooier maken. Dit collectief bestaat uit 5 makers, waaronder twee Stadsschrijvers en één Stadsdichter. Eens per maand krijgen zij ‘het woord’ in Groot Eindhoven. Dit keer Stadsschrijver Corinne Heyrman.

Een man met drie trekkende rottweilers aan de lijn doet de voordeur van het appartementsblok open. Hij draagt een T-shirt dat nog moet stammen uit de jaren ’90, psychedelisch zeeblauw.

‘Mag ik iets vragen,’ stamel ik, het is telkens onwennig om mensen te overvallen met de dood, ‘uw bovenbuurman is overleden en er zijn geen nabestaanden, vandaar dat ik als Stadsschrijver een gedicht over hem maak.’

De man trekt zijn wenkbrauwen kort omhoog, de honden hebben er geen oren naar, trekken nog harder. Ze zijn bijna bij het gras, de bosjes en alle nieuwe geuren die daar hangen.

‘Kunt u mij misschien iets meer vertellen over hem?’

Het gezicht van de man ontdooit, zacht zegt hij dat hij zijn bovenbuurman eigenlijk niet kent, ze knikten wel naar elkaar en hij heeft eens een schroefmachine van hem mogen lenen, maar verder was er geen contact. ‘Hij was heel erg op zichzelf,’ concludeert hij, ‘zoals iedereen in dit blok.’ Hij wijst naar een van de balkons. ‘Daar woont een vrouw die iedereen kent in de buurt, ze gaat, euh ging, ook veel bij mijn bovenbuur op bezoek.’

Ik bedank de man, bel bij het appartement van de vrouw aan.

‘Ja,’ zegt de vrouw nors, waarna ik hetzelfde vertel als tegen de jaren-90-man. Tot mijn verbazing antwoordt ze: ‘Mijn deelneming, ik wens niet te praten.’

‘Ik wil graag in een mooi afscheid voorzien,’ begin ik, maar ze onderbreekt me: ‘U mag terug vertrekken. Wij gaan niet in gesprek.’

Het afgelopen jaar heb ik al vaker op een ongemakkelijke toon in intercoms staan praten. Ik sprak verscheidene mensen over hun -vaak plots- overleden buurman. Ik werd uitgenodigd op de thee, hield lange telefoongesprekken, stond in deuropeningen. De dood en de eenzaamheid zijn twee thema’s waardoor de meeste mensen even uit hun dagelijkse sleur getrokken worden en vertellen. Maar deze vrouw weigerde. Nu weet ik natuurlijk niet wat het achterliggende verhaal is, wellicht is wat de man met de rottweilers zei helemaal niet waar en had ze juist een slechte band met de overleden man. Ergens voelde ik dat deze vrouw contact met me ontzegde vanuit een angst. Een ‘bemoei je met je eigen zaken-principe’.

Ik belde bij alle deurbellen aan en kreeg steeds hetzelfde te horen: hij was een man die niet meer deelde dan een knikje op de trap.

Later stapte ik op de fiets, zonder werkelijke kennis van de overleden man, zonder verhaal. Ik schreef een gedicht over eenzaamheid en mensen die allemaal in hun eigen hokje leven, naast elkaar, zonder uitwisseling, behalve een schroefmachine.

Op de dag van de uitvaart van de man zonder nabestaanden dacht ik terug aan de vrouw, met iets meer afstand. Misschien had ze haar buurman in bescherming willen nemen. Misschien was hij iemand die hield van dat knikje en niets meer. Misschien was zijn alleen-zijn zijn grootste goed en had ze hem met het weigeren van een gesprek ook na zijn dood een grote dienst bewezen. Toch wens ik u in 2026 dialoog, verhalen en het delen van meer dan schroefmachines toe.