De koffer ligt open op bed, de stapel kleding groeit en toch klinkt de bekende gedachte: “Ik neem dit ook maar mee, voor de zekerheid.” Herkenbaar? Je bent niet de enige. Uit onderzoek blijkt dat veel Nederlanders op vakantie vertrekken met kledingstukken die uiteindelijk ongebruikt weer mee naar huis reizen.

Maar liefst 51 procent neemt kleding mee waarvan vooraf al wordt verwacht dat die waarschijnlijk niet gedragen wordt. In totaal draagt 62 procent tijdens de vakantie niet alle kleding die in de koffer is beland. Toch blijven we massaal proppen, rollen en stapelen.

Waarom doen we dat eigenlijk? Volgens consumentenpsycholoog Patrick Wessels heeft het vooral te maken met twijfel en voorbereiding. “We willen voorkomen dat we iets missen. Wat als het weer omslaat? Wat als we spontaan ergens gaan eten? Of wat als die ene outfit toch nodig blijkt?” Een extra shirt of broek voelt dan als een kleine moeite.

Opvallend is dat Nederlanders wel degelijk proberen slimmer in te pakken. Zo neemt 76 procent bewust kleding mee die makkelijk te combineren is en vindt een ruime meerderheid een eigen stijl belangrijker dan de laatste modetrends. Toch wint het ‘voor het geval dat’-gevoel het vaak van de praktische aanpak.

Vooral jongeren blijken fanatieke inpakkers: zij willen graag een veelzijdige garderobe, maar nemen ook relatief vaak extra kleding mee. Ook vrouwen pakken vaker uit voorzorg extra kleding in dan mannen.

Misschien ligt de oplossing wel in een simpele vakantievraag: “Ga ik dit écht dragen, of reist dit kledingstuk alleen maar mee voor de gezelligheid?” Een iets lichtere koffer betekent tenslotte minder gesjouw, meer ruimte voor vakantiesouvenirs en misschien zelfs een beetje minder keuzestress op reis.